Het UBO-register: mag dat wel volgens de AVG?

Op 27 september 2020 ging in Nederland het UBO-register live. Dit register is de laatste jaren in bijna alle EU-landen ingevoerd en is verplicht op grond van de vierde Europese antiwitwas-richtlijn (AMLD4). Rechtspersonen die voor 27 september 2020 zijn opgericht, hebben tot 27 maart 2022 de tijd om hun uiteindelijk belanghebbende(n), ofwel hun UBO’s (ultimate beneficial owners), te registeren. Nieuw op te richten ondernemingen moeten direct na oprichting hun UBO’s opgeven.

 

Van het begin af aan zijn er in verschillende landen vragen gerezen over deze verplichting. Via het register wordt namelijk een deel van de gegevens van de uiteindelijk belanghebbenden openbaar en daar is lang niet iedereen blij mee. Het openbaar maken kan veiligheidsrisico’s opleveren en is bovendien een inbreuk op de privacy. De discussie over de toelaatbaarheid van het register zwelt dan ook steeds meer aan.

 

Zo is Privacy First onlangs een kort geding gestart tegen de Nederlandse Staat, waarin zij stelt dat het UBO-register niet voldoet aan de eisen zoals die -onder andere- in de Algemene verordening gegevensbescherming (‘AVG’) gesteld worden. Het opnemen van (persoons)gegevens van UBO’s en de (vrije) toegang daartoe zijn een inbreuk op het recht op privacy van de ubo’s. Privacy First vindt dit niet in verhouding staan tot het doel van het register. Ook in andere landen zijn er vergelijkbare vragen gesteld.

 

“Wij raden u aan te wachten met inschrijven in het register tot er meer duidelijkheid is over het kort geding. U heeft tenslotte nog tot maart 2022. Wel kunt u vast uw UBO’s in kaart brengen, zeker als u onder een internationaal moederbedrijf opereert. Dat kan een hele puzzel zijn en dan heeft u de gegevens compleet op het moment dat u verplicht wordt te registreren.”

Deze website maakt gebruik van (geanonimiseerde) analytische cookies.

Meer info